De danslessen van  papa
door Monique van Roosmalen

Mijn vader heeft me leren dansen. Dat is hoogstwaarschijnlijk niet echt zo, omdat m’n vader veel te ongeduldig was om me iets te leren. Ik ben gewoon vergeten van wie ik heb leren dansen. Ik kon het al toen ik nog heel jong was, acht of negen jaar.
Mijn vader heeft me leren dansen. Dat vind ik een romantisch idee. We hadden er speciaal een parketvloer voor laten leggen en tegelijkertijd met de schuifdeuren, werd ook de drempel tussen de grote en de kleine kamer verwijderd. Nu was er plaats genoeg, zelfs voor de tango en de Weense wals. Maar de tango heb ik nooit met mijn vader gedaan en de Weense wals trouwens ook niet.
In eerste instantie leek mijn moeder er volledig achter te staan dat mijn vader me leerde dansen. Ze heeft ook nooit iets van het tegendeel beweerd. Ze schafte zelfs een boenmachine aan waarmee ze de vloer steeds spiegelglad maakte. Toch moet ze in haar hart ongelofelijk jaloers zijn geweest. Door de hele kamer verspreidde ze namelijk Perzische tapijten en op de plaats waar het minste meubilair stond, legde ze twee kleine persjes, zonder rubber matjes eronder. Als je daar zo maar onbekommerd zou dansen, kon je heel gemakkelijk uitglijden en je nek breken. Zo kon mijn moeder ons vermoorden zonder dat er enige verdenking op haar zou rusten. Het was heel normaal dat een huisvrouw het met kleedjes gezellig maakte, daar zou niemand iets achter zoeken. Ze had pech. Weliswaar heeft ze ons de linkse en de rechtse draai belet en mijn vader heeft het me ook niet al te zwierig kunnen leren, maar gedanst hebben we en hoe! Ik moest tegenover hem gaan staan, mijn handen in de zijne leggen. Dan deed hij me de pasjes voor: „Een, ene twee, een, ene twee.”
In het begin ging het een beetje houterig, waren het nog losse stapjes, maar al  snel leerde ik ze met elkaar te verbinden. Ik moest vanuit mijn heupen bewegen, zei hij altijd en soms kon je een pasje door een heupbeweging vervangen. Zo schuifelden we samen, al zingend, op een vierkante meter, de persjes omzeilend om mijn moeder niet in gewetensnood te brengen.
Mijn vader was een grote, robuuste man die er altijd onberispelijk uitzag. Volgens mijn moeder was hij de best geklede man van onze stad. Als kind kon ik dat natuurlijk niet beoordelen, maar in ieder geval vond ik mijn vader een heer als hij naar me toe kwam. Hij rechtte zijn schouders, deed een paar stappen in mijn richting, maakte een lichte buiging – nooit overdreven – en vroeg of ik met hem wilde dansen. Hij nam me bij de hand en onderweg naar de dansvloer, deed hij de middelste knoop van zijn colbert dicht. Toen ik de grondbeginselen eenmaal te pakken had, hield hij me vast als een echte dame. De pasjes zaten niet meer in mijn hoofd. Ze waren in mijn lijf gezakt en mijn vader leidde dat met een hoffelijkheid en een passie zoals ik dat met niemand anders ooit heb ervaren.
Ik had heel weinig contact met mijn vader. Ik zat niet in een stoeltje voor op zijn fiets. Mijn vader had niet eens een fiets. Hij las geen verhaaltjes voor bij het slapen gaan, plakte geen pleister op mijn kapotte knie. Hij was er nooit, ook later niet in een overall met een gereedschapskist om de schilderijtjes op te hangen als ik ging verhuizen. Hij kon niet eens een spijker in de muur slaan, geen kopje thee zetten of me troosten als ik ziek of verdrietig was. Er hing een kilte tussen ons, een wederzijdse onhandigheid, een voortdurend misverstand dat alleen werd opgeheven als we samen dansten. En dansen konden we overal. Wij hadden geen parketvloer nodig.

Daar moest ik gisterenavond aan denken. Ik zat op een kruk met mijn rug tegen de bar en keek de grote danszaal in. We moesten er eens uit, had Karin gezegd. Ze bracht ons naar een dansavond voor alleenstaanden te Gorichem. Als ik eerst een blik naar binnen had mogen werpen, alvorens de vijftien gulden entree te betalen, dan had dat geld nu op de girorekening van een goed doel gestort kunnen worden. Duur was het trouwens niet. Er speelde een flink orkest in de stijl van „de Heikrekels”, bij de koffie werden gratis gebakjes geserveerd en later op de avond gingen er schalen rond met bitterballen en gebraden kippenpootjes. Plastic noch moeite was gespaard om het interieur op een zeventiende-eeuwse boerderij te laten lijken. Het was druk en ik zag dat het merendeel van het mannelijke gezelschap de vutleeftijd al had bereikt. Meteen bekroop me een enorme angst. Hoe zou ik me dit hongerige leger van het lijf moeten houden? Wanneer ik één keer mijn prachtige blauwgrijze ogen opsloeg, zou ik in handen vallen van de een of andere ongemanierde beroepsmilitair, dat wist ik zeker. En omdat ik de vriendelijkheid zelve ben, vooral tegen domme mensen, zou ik er waarschijnlijk de hele avond niet meer van loskomen. Ik probeerde alle blikken te ontwijken en er zo lelijk mogelijk uit te zien.
We vonden een plaatsje aan de bar. Daar zat ook de man waarover het verstand van Karin constant ruzie maakte met de vlinders in haar buik. Ik liet hen ongestoord praten en trok me terug in mijn fantasiewereld. Af en toe keek ik schichtig rond of er niet één gezicht was dat mij aardig genoeg leek om het dichterbij te halen. Ik kon er geen ontdekken. Ineens stelde ik me voor dat ik hier met mijn vader zou dansen. Hij zou me, in mijn blauwwit gestreepte jurk met pofmouwtjes, bij de hand nemen, me leiden over de parketvloer, behendig manoeuvrerend tussen de massa alleenstaanden, me uittillen boven de kilte en het voortdurende misverstand. En voor het eerst sinds zijn dood, ruim vijf maanden geleden nu, werd ik intens verdrietig omdat dit nooit zou gebeuren.
Intussen meende een jonge kunstenaar contact met mij te hebben gemaakt. Naast me hoorde ik tenminste een enthousiast verhaal over het vele geld dat te verdienen viel met het schilderen van landschapjes, bloemen en boerderijen. Een kunsthandel verkocht zijn werk en het begon aardig te lopen. Vertrouwelijk deelde hij me mee dat veel kunstenaars de neiging hebben te ontsporen. Gelukkig kon dit met hem nooit het geval zijn, aangezien hij geïnspireerd werd door de Bijbel. Hij was nu bezig met het uitbeelden van een schaapskooi en de eigenaar van dit object zat naast hem. Het betrof hier een agrariër van rond de zestig met een witte haardos en een stevig buikje. Bedelend om mijn aandacht beconcurreerden de mannen elkaar. Ik werd gepolst over mijn kennis van het boerenleven, over hoe ik het zou vinden om veel aan huis gebonden te zijn en er werd naar mij geknipoogd onder het motto dat leeftijd eigenlijk niet zoveel uitmaakte. „Een beetje toch wel”, bracht ik nog zwakjes in. Maar wat deed het er ook toe: in geval van nood zou ik met hen allen trouwen, daar was ik vriendelijk genoeg voor.
De leider van het orkest vroeg onze aandacht voor de loterij. Op het garderobenummer kon je een prijs winnen. De drie mandjes die werden verloot, waren, geheel belangeloos, ter beschikking gesteld door de plaatselijke mandenmaker, de heer J. Schouten, Schoolstraat 11b, waar we voor al ons rietwerk terecht konden. Terwijl de mannen hebberig naar hun garderobenummers zochten, staarde ik weer voor me uit. En daar stapte hij ineens mijn gezichtveld binnen: een grote, robuuste, onberispelijk geklede man. Hij had een vrouw bij zich, die naast me kwam zitten. Ik liet mijn kunstminnaar en zijn vriend links liggen en knoopte een gesprek met haar aan. Van enige terughoudendheid was geen sprake. Vrijwel onmiddellijk gooide zij een emmer ellende over me leeg. Naar mijn relatie met m’n ex-man werd niet geïnformeerd, maar ik kon er, zonder meer, vergif op innemen dat hij niet de enige totaal onbetrouwbare kerel was. Ze waren allemaal hetzelfde; haar hoefde ik niks te vertellen. In de afgelopen veertien jaar, had ze een riante ervaring opgebouwd met contactavonden en advertenties. En één ding kon ze me wel zeggen, ik moest niet denken dat het minder verschrikkelijk was dan mijn scheiding. Het was zeker zo erg. Boekdelen zou ze nodig hebben om me enigszins te kunnen beschrijven wat al die smeerlappen haar al geflikt hadden. Voor haar hoefde het in ieder geval niet meer. Mannen waren alleen maar uit op avontuurtjes. Behalve Joep dan, met wie ze hier was. Nog met geen vinger had hij haar ooit aangeraakt. Ze hadden geen verhouding, maar hij was een echte vriend, geen man van avontuurtjes. Ik keek naar Joep die een eindje verderop stond. Ineens voelde ik een onbedwingbare lust om hem ten dans te vragen. Dat bleek niet nodig. Hij had mijn blik opgevangen, rechtte zijn schouders, deed een paar stappen in mijn richting, maakte een lichte buiging – niet overdreven – en vroeg of ik met hem wilde dansen. Dan nam hij me bij de hand en onderweg naar de dansvloer, deed hij de middelste knoop van zijn colbert dicht. Het ging als vanzelf. We deden de hele serie. Het orkest zette een langzame foxtrot in. De lampen gingen uit. We werden alleen nog beschenen door een fluorescerend licht dat een sprookjesachtig effect gaf op mijn blauwwit gestreepte truitje en op het witte overhemd van Joep. Hij sloeg zijn armen om me heen en ik legde mijn hoofd op zijn schouder. Dichterbij, dichterbij, dichterbij kon niet. Ik hoorde zijn versnelde ademhaling, voelde de zoenen op mijn mond en in mijn hals die ik, haast automatisch, beantwoordde. Toen de lampen weer aangingen, keek ik in een verwonderd, verrukt, verheerlijkt mannengezicht. Nog geen twintig minuten geleden had hij me bezworen dat hij de hoop op een aardige vrouw al jaren geleden had opgegeven en nú al had hij de eed verbroken. Maar ik liet niets van mijn teleurstelling merken. Integendeel: ik straalde hem tegemoet, voerde hem kippenpootjes en bitterballen, was lief, enthousiast, gezellig en zorgzaam. Ik gaf hem het gevoel dat hij regelrecht voor mij uit de hemel was gevallen en dat ik mijn geluk niet op kon. Joep ging even iets te drinken halen.
„Ik wil naar huis,” fluisterde ik tegen Karin, „Er gaat hier iets helemaal mis.” Ze had ons een poosje gadegeslagen en keek me stomverbaasd aan. Mijn spreektijd was om. Daar waren de armen van Joep alweer, de parketvloer, het orkest en het fluorescerend licht. Ik had niet eens de gelegenheid gehad om aan Karin uit te leggen dat mijn moeder me had leren vissen. Het was er nooit van gekomen me voor te doen hoe je de vangst terug in het water moest gooien. Wij hadden de gewoonte om alles op te eten wat we aan de haak sloegen en mijn moeder deed dat met een charme en ’n elan om „U” tegen te zeggen.

Ik zweefde in de armen van Joep die mij zo nu en dan iets over z’n leven vertelde. Hij was bouwkundig ingenieur en verdreef zijn eenzaamheid door met de NCRV op kerkenpad te gaan. Ik moest eens mee, vond hij: het was best interessant, al die gebouwen. Ik glimlachte alleen maar. Dan werd hij weer stil van ontroering. Onder het fluorescerend licht verkenden zijn handen voorzichtig mijn lijf. Zo te voelen was het een kostbare, broze pop die hij gevonden had. Maar toen de lampen weer aangingen, werden we steeds uitbundiger. Ik rock-’n-rollde, terwijl Joep als een dolfijn over de parketvloer sprong, me ondertussen toeroepend dat de oermens in hem naar boven kwam.
„Rustig laten gaan,” riep ik terug, „dat moet er toch allemaal eens uit.” Daar hoefde ik niet lang op te wachten. Het was halftwee, de zaak ging sluiten. Eindelijk zou ik naar huis mogen! Joep stond tegen me aan. Zijn hand kroelde door mijn haar. Hij wou er niet om liegen. Hij zou het me meteen maar eerlijk zeggen. Ik was het helemaal voor hem, hij wilde bij me blijven. Natuurlijk eerst even zijn vriendin naar huis brengen. Over een uur kon hij bij me zijn.

Vanmorgen werd ik uitgeput wakker. Ik lag gewoon in mijn eenpersoonsbed. Vanuit de hoek, naast mijn hoofdkussen, keek m’n wollen ijsbeer me goedmoedig aan. Maar ik voelde me niet op m’n gemak, alsof ik in een vreemd omhulsel, in een vreemde kamer lag. Ik draaide me om en om en langzaam borrelde er een vertrouwd schuldgevoel in me op. Ik overdacht mijn zonden. Overal kwam ik mannen tegen en ik wist hoe je ze op een persje kon laten uitglijden, hoe hun nekken te breken. Ik leek gewoon niet anders te kunnen. Misschien was het toch het beste me te melden bij de zusters van Boetvaardigheid te Mechelen, bedacht ik: opgesloten achter tralies, zou ik nooit meer de fout in kunnen gaan. Maar ineens realiseerde ik me dat ik „nee” had gezegd. Hij stond tegen me aan en zei dat hij bij me wilde blijven. Heel resoluut had ik „nee” gezegd en toen hij bleef aandringen, fluisterde ik hem, met mijn zwoele stemgeluid, het adres van pastoor Van Dongen in z’n oor. Ik had „nee” gezegd en was de dans ontsprongen.


© Monique van Roosmalen, 1988


N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.  




Naar overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator

Naar Verhalen (Dick van Zijderveld)

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Monique van Roosmalen 2007, 2010