Pruts grient spruitjes
door Monique van Roosmalen

Mijn man zat nog geen maand in de vut toen hij getroffen werd door een zeldzame ziekte.
We zaten aan het ontbijt. Ik, zoals gewoonlijk, met twee kaasboterhammen, mijn man met een uitsmijter en de Volkskrant, een flinke pot koffie tussen ons in op de keukentafel. Aan dat krantlezen tijdens het eten had ik een hekel, maar mijn man kon het niet laten. Hij probeerde het gebrek aan aandacht te compenseren door me bij het nieuws te betrekken en me, zo nu en dan, een stukje voor te lezen.
Als ik net uit bed ben, beperkt mijn wereld zich tot de douche, mijn tandenborstel, de kledingkast en de broodtrommel. Ik liet mijn man gezellig keuvelen, maar hoorde de helft van de tijd niet wat hij vertelde. Totdat hij ineens iets zei dat niet klopte. Het waren drie onsamenhangende woorden. Niet dat ik me deze herinner, maar vanaf die ochtend zegt hij alleen nog drie onsamenhangende woorden achter elkaar, dus dat moet hij toen ook hebben gedaan.
De ziekte van Andersen, constateerde de neuroloog. Hij schudde zijn hoofd, niks aan te doen.
‘Krop flanst prikkers, zei mijn man’, terwijl hij naar zijn zakdoek greep. Met de moed in onze schoenen verlieten we het ziekenhuis.
Er vlogen porseleinen kopjes door de keuken. Deuren werden dicht gesmeten. Soms staarde mijn man uren somber voor zich uit. ’s Nachts woelde hij ons bloot. Zich leren aanpassen aan de nieuwe situatie, kostte hem ruim een jaar.
Vroeger was mijn man een verteller, ik de luisteraar. Noodgedwongen hebben we dat omgekeerd. Ik praat honderduit over mijn werk bij de bibliotheek, over de mensen die ik ontmoet, over de boeken die ik lees. Mijn man kijkt naar me, knikt om me aan te moedigen. Pas als ik helemaal uitverteld ben, klopt hij me op mijn schouder of hij knijpt me even in mijn hand. Hij zegt iets in de trant van ‘klots vreet grotten.’ Mijn vriendinnen en onze buurvrouwen storten bij niemand hun hart liever uit dan bij mijn man. Voordat ze komen föhnen ze hun haar, trekken naaldhakken aan en stiften hun lippen. Ik ben niet jaloers. Nu mijn man weet dat hij niets liefs meer kan zeggen, masseert hij mijn rug met bloesemolie.
Gisteren stond onze huisarts onverwacht op de stoep. In Moskou kan mijn man geopereerd worden. Het is een gevaarlijke ingreep met een slagingskans van vijftig procent. Nadat ik dokter van Grinsven had uitgelaten, schonk ik bevend twee glazen wijn in. Ik zette ze op de salontafel en ging naast mijn man op de bank zitten. Hij keerde zich naar me toe, legde zijn hand op mijn knie en schudde heftig nee. ‘Weet je het zeker,’ vroeg ik. Hij pakte zijn wijn en hief het glas. ‘Pruts grient spruitjes, riep hij. We namen een flinke slok. Dan sloeg ik mijn armen om hem heen. Ik zoende zijn gezicht van links naar rechts en van onder tot boven.
Dat alles blijft zoals het is, stemt me gelukkig.


© Monique van Roosmalen, 2013.


N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.




Naar overzichtspagina Schrijverskring Gyrinus Natator

Naar Verhalen (Dick van Zijderveld)

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Monique van Roosmalen 2007, 2010