Zussen
door Linda Huldman

Sacha stroopt haar mouwen nog wat verder op. Woest kijkt ze naar haar zusje. „Monica, ik zeg het je voor de laatste keer, het gat moet dieper. Veel dieper.”
Moon staart naar de grond. Ze slikt, haalt haar schouders op.
„Monica! Graaf!” Ze vreest de momenten dat Sacha haar Monica noemt. Dan is er iets mis. Goed mis. Als een speer gaat de schop de grond in. Hoopjes zand vliegen door de tuin. Links, rechts, schuin, recht, zand, zand, uit de grond, op het gras, scheppen, scheppen, scheppen. Zweet loopt van haar rattenkop langs haar dunne nek. Op haar lippen bijtend volhardt ze in het manische tempo. Zij zal zich niet laten kennen.
„Moon, zo is het goed. Het is nu wel diep zat.” Meteen houdt ze op. Sacha is tevreden. Het eindsein is gegeven.
„Dat ze in godsnaam niet van gedachten verandert”, denkt Moon.
„Kom Moon, we gaan thee drinken.” Over het smalle tuinpad met de Belgische keien lopen ze achter elkaar naar huis. Sacha voorop. Janki, de tien jaar oude kater, ligt op zijn buik op de koele keukenvloer. Zijn vier poten wijd uitgespreid, zijn hoofd op de tegels.
„Mijn God, bevangen door de hitte of gaat hij dood?” vraagt Moon bezorgd. Sacha hoopt het laatste. Die kat is hartstikke gestoord, altijd al geweest.

Terwijl Moon de ketel met water vult, pakt Sacha een groot vel en een pen.
„Doe maar kamillethee Moon.” Moon, die net de bus met earl grey wil pakken, laat haar hand snel zakken. Ze grijpt in het kastje naar de zak met kamille. Ze zet de theepot en mokken op de keukentafel. Daarna volgen de suikerpot, theelepeltjes, een pak koekjes.
Van alle ruimtes in het huis is de keuken haar favoriete plaats. Op de schouw staan dierbare spullen, veelal voorwerpen die ze uit het ouderlijk huis heeft meegenomen. Aan de muur hangen foto’s. Een foto van het gezin gemaakt op een uitstapje in de Keukenhof. De trouwfoto van pa en ma. Een foto van haar communie.
De foto waarop zij met Sacha staat is de leukste die ooit van hen is gemaakt. In de voortuin op een namiddag genomen. Sacha was veertien en zij was negen. Zij staan in korte jurkjes hevig in de camera te lachen. Elke keer als ze naar de foto kijkt, schiet ondanks alles een glimlach door haar gezicht. Ma die steeds wat verder naar achter was gelopen om de foto te nemen en uiteindelijk door het lage tuinhekje gevloerd werd. Letterlijk. Ze ziet nog het beeld van haar moeder die er absoluut niet om kon lachen, snel opstond alsof er niets gebeurd was en de foto nam. De laatste keer dat ze vrolijk naast elkaar stonden.

„Laten we het volgende doen”, zegt Sacha, „We koken vanavond een heerlijk avondmaal. Dat eten we in het licht van wat kaarsen op. Morgen gaan we doen wat we elkaar hebben beloofd. Ik heb een lijst gemaakt.” Moon zegt niets. Ze wil Sacha slaan, hard, heel hard. Ze heeft helemaal geen zin in een etentje bij kaarslicht. Ze wil er vanaf zijn en wel zo snel mogelijk.
„Een goed idee Sacha, heel goed”, zegt zij. Ze morst thee op de tafel. Ze rommelt wat tussen de vaat op het aanrecht op zoek naar een vaatdoek.

„Dezelfde gebaren als ma”, denkt Sacha. Ze ziet hun ouderlijk huis voor zich. Het glazen tussenschot dat de kamer verdeelde in een woongedeelte en een eetgedeelte. Ze zat vaak voor straf in het eetgedeelte, omdat ze te laat thuis was of het bord met andijvie op de grond had gesmeten. De anderen keken in de voorkamer met elkaar naar de Thunderbirds en Floris. Wanneer zij een tergend lang uur haar straf had uitgezeten, bewegingloos en zwijgend, kwam vader of moeder haar halen. „Goed, nu ben je weer rustig. Kom er maar weer bij.” Ze wou dat ze het kon vergeten. Net als de ellendige middagen. Haar zusje voor de kachel met haar knikkerballenbox. Ze stopte de knikkers er boven in. Ze gleden van rechts naar links, van links naar rechts en weer terug om een trapje af te rinkelen en in één van vijf gaten te vallen. Terwijl Sacha haar moeder moest helpen, de was streek en vouwde, stofte en sopte, was dat zwijgzame kind aan het spelen. Nog steeds haat Sacha het geluid van bellen, van kerktorens, van triangels, van alles dat rinkelt.
„Monica! Doe jij de boodschappen voor vanavond. Ik heb al een menu samengesteld. Hier heb je de lijst.” Janki krijst en krabt naar Moon die hem plotseling in zijn lijf knijpt. Met opgeheven staart rent hij de tuin in.

De volgende ochtend hoort Sacha haar zusje de trap afgaan. Ze weet hoe de dagelijkse gang verloopt. Koelkast open voor eten Janki en melk voor Monica. Keukendeur open. Op weg naar de voordeur om de krant van de deurmat pakken.

Moon is altijd de meest lieve en geliefde geweest. Moon is het type van vrede tussen alles en iedereen. Dat werkte altijd. Op die ene keer na dat moeder een foto wilde maken. Ze hadden er verschrikkelijk om moeten lachen. Moeder niet. Toen vader thuiskwam van zijn werk kregen ze allebei de wind van voren. Hoe durfden ze daarom te lachen. En zij Sacha, als oudste, had moeder moeten waarschuwen. In plaats daarvan had ze gezegd „je moet nog meer naar achteren, nog iets, nog ietsje meer”. Dat was absoluut onverantwoord. Het was de druppel.
Sacha had een daad willen stellen. Vanaf het moment dat Monica geboren werd, was zij de karweidochter geworden. Met dichtgeknepen neus rende ze met luiers naar de vuilnisemmer, ze reikte zacht geurende babykleren aan.
Een week nadat de foto in de voortuin was gemaakt, leverden vader en moeder haar bij een tehuis voor moeilijk opvoedbare meisjes af.
Ze gooit het dekbed ruw van zich af. Het wordt tijd om te gaan.

Wild en onaangepast, haar kracht en haar onmacht. Sacha stond een jaar geleden voor haar deur, met verwaaide haren en een plastic tas onder haar arm „Je moet me helpen”. Moon kon het niet over haar hart verkrijgen om te weigeren. En als ze eerlijk is had ze moed niet. Naast bittere tirades bracht Sacha herinneringen aan kneuterige middagen mee. Het warme sissende geluid van de strijkijzer over een natte zakdoek om vouwen in kleding te persen. Moon mocht nog niet helpen, ze was te klein. Terwijl haar zus met van alles en nog wat bezig was, speelde zij met haar knikkers. Wanneer een knikker in het gat met nummer tien rolde, betekende het dat zij nog maar tien dagen hoefde te wachten en dan zou zij ook haar moeder mogen helpen.
Ze slaakt een zucht. Ook al schaamt ze zich ervoor, er moet een einde aan komen. Zo langzaamaan is haar geduld op.

„Nou Moon, het is heel simpel.” Moon knikt. Gelaten loopt ze achter haar zus de tuin in. Allebei dragen ze een doos. Sacha staat vergenoegd voor het gegraven gat. Eindelijk kan het ritueel beginnen. Afsluiten en verder gaan.
„Moon, zoals wij hebben afgesproken verbranden wij jouw verzameling die bij ons verleden hoort, bij onze jeugd, bij onze ouders. Als dat is gebeurd, vertrek ik uit jouw huis.” Moon knikt. „Daar gaat je knikkerballenbox.” Sacha gooit het ding de kuil in. „Daar gaat de foto van ons in de voortuin.” Met genoegen plukt ze elk voorwerp uit de dozen, benoemt het en mikt het in de kuil. Daarna haalt ze een jerrycan met benzine uit de schuur. Als het vuur goed oplaait, pakt ze haar plastic tas en loopt zonder om te kijken het tuinhek uit. 


© Linda Huldman, 2014

N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.



Naar pagina Verhalen

NAAR OPENINGSPAGINA

Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Linda Huldman, 2014