Roelandt
door Athy van Meerkerk

Na de dood van zijn moeder, zijn voor Roelandt de dagen als in een roes voorbij gegaan. Hij heeft er geen enkele herinnering aan.
De agent die het nieuws van zijn moeders ongeluk kwam brengen heeft tegen dovenmansoren gepraat en ten slotte de buurvrouw erbij gehaald. Vanaf dat moment is alles hem uit handen genomen.
Hij heeft niemand kunnen uitleggen dat hij zijn moeder iedere dag ziet, op theetijd.

Op de ronde keukentafel staan twee kopjes, een schaaltje koekjes er naast.
Zijn moeder roert in het kopje dat voor haar staat, pakt het op en zet het weer neer.
Ze knikt naar Roelandt die vol liefde naar haar glimlacht. Ze blaast hem een kushandje toe, staat op en loopt weg.
Roelandt ruimt de theeboel op en kijkt de ruime keuken rond. Het is er warm, de zon werpt vierkanten op de grond en aan de muur tikt een ronde emaillen klok.
 
De band met zijn moeder is sterk, maar soms kan hij haar niet vinden. Dat maakt hem wanhopig.
Ze verdwijnt zonder te zeggen waar ze naartoe gaat, zwaait naar hem bij de deur en is weg.
Uren dwaalt hij door de straten zonder aan zichzelf toe te geven dat hij haar wil vinden.
Op een dag bedenkt hij dat hij haar bij de trappen van het station kan zoeken.

Hij knikt goedkeurend wanneer er een stroom reizigers van de roltrap afkomt en zich verspreidt over de grote stationshal.
Dat heeft hij goed bedacht, hier op dit bankje te gaan zitten. Zo kan hij alle reizigers in het oog houden die van de grote lijnen afkomen.
Zijn moeder loopt tussen de mensen, hij weet zeker dat hij haar zal vinden. Hij kan haar immers uittekenen.
Blij is hij, met het warme weer, zodat meisjes en vrouwen geen vesten of jassen dragen. Geweldig, dat de meeste van hen hun schoudertas zo houden dat de riem dwars over hun borst loopt.
Daardoor komt hun vorm duidelijk uit. Hij zou ze willen aanraken, willen voelen in zijn handen.
Hij stelt zich voor, dat zijn handen dan gaan tintelen. Dat er een energie gaat stromen waarvan hij heel gelukkig wordt.
Hij kijkt gespannen naar een nieuwe stroom mensen.

Daar, een blonde, kijk nou hoe zij aan komt lopen. Ze komt regelrecht op hem af. Daar is ze, hij wil overeind komen maar verstart in zijn beweging.
 
„Heb ik soms wat van je aan?” De vrouw waar hij zijn ogen niet van af kan houden, blijft voor hem staan. Uitdagend, de handen op de heupen.
    „Viezerik …”
Ze draagt een strak vuurrood t-shirt. De brede riem van haar schoudertas loopt precies tussen twee volmaakt ronde borsten, gevangen in het rood. Maar ze is niet zijn moeder.
    „Het spijt me, ik wilde niet … het spijt me, ze zijn …jij bent …”  Geen seconde is het bij hem opgekomen dat hij de aandacht zou kunnen trekken, laat staan dat iemand hem van vunzigheid zou kunnen verdenken.
    „Ik heb er geen bedoeling mee”, zegt hij nog, „Ik …” Haar spottende gezicht en harde stem maakt de mensen om hem heen opmerkzaam. Hij staat op, voelt hoe zijn gezicht rood wordt, kijkt nog eens naar haar en gaat er als een haas van door.
Hij heeft het idee dat iedereen naar hem kijkt, hem nawijst. Achter hem lacht iemand hardop.
< Dat is niet voor jou bedoeld, niet voor jou bedoeld >, hij blijft het denken tot hij bij de roltrap is. Hier komen nieuwe reizigers hem tegemoet. Mensen die van niets weten en hij gaat wat rechter op lopen terwijl hij diep adem haalt.
Hij wil naar huis, veilig zijn, geen mensen om hem heen.

Eenmaal thuis, doet hij de deur achter zich op slot. De vertrouwde omgeving geeft hem rust. Hoe kon die vrouw nou denken dat hij het op haar gemunt had, hij is toch niet geïnteresseerd in vrouwen.
    „Nog niet geïnteresseerd,” zei zijn moeder altijd, „dat komt nog wel.” Maar geen meisje kon ooit in haar schaduw staan. Dol was hij op haar. Haar zachte haren, de gladde stoffen van haar japonnen. Stof die hij zo graag door zijn handen liet glijden. De zachte huid van haar mollige armen, haar rondingen, haar zomerse blote benen. Als kind wilde hij altijd aan haar zitten. Maar hij mocht haar nooit lang aaien.
    „Houd eens op met dat gewriemel” en ongeduldig duwde ze hem van haar af. Later heette het dat hij te groot werd om steeds bij zijn moeder te zijn. Hij moest maar buiten gaan spelen, met andere jongens. Maar hij hield niet van buiten spelen. En hij kon niet uitleggen waarom hij zo graag aan zijn moeder zat. Hij had er nog geen woorden voor.
    Met schrik ontdekte hij op een kwade dag, dat de huid van zijn eigen armen zijn zachtheid verloren had, de haartjes op zijn benen gaven hem ook daar een stuggere textuur. Hij was zich zelf aan het verliezen. Diep ongelukkig bekeek hij zijn gezicht in de spiegel. Hormonen gaven hem vlekken en ook daar werd zijn huid ruwer.
    Nooit heeft hij het gevoel dat hij in een verkeerd lichaam zit maar zijn nieuwsgierigheid naar meisjes heeft geen seksuele lading. Hij wil gewoon graag voelen, weten hoe een vrouwenlichaam voelt, aan de buitenkant. Het zal wel met vroeger te maken hebben al weet hij niet precies hoe.
    Iedere dag ziet hij zijn moeder aan de keukentafel, ruikt haar parfum, hoort het rinkelen van haar armbanden. De lichte stap van haar voeten en het ritselen van rokken. Maar hij mag haar niet  meer aanraken

In de stille achterkamer, waar de zon warm door de hoge ruiten schijnt staat de toilettafel van zijn moeder. Voorzichtig doet hij het deurtje open. Daar op een plank ligt haar lingerie. Al het zachte fijne goed heeft hij zorgvuldig gerangschikt. Als hij iets uit het kastje haalt, worden  zijn gebaren zachter, ronder. 
    Hij trekt zijn trui uit, zijn broek en staat zo een tijdje voor de spiegel in zijn ondergoed. Calvin Klein, een goed merk, maar het is geen satijn.
    Dan trekt hij ook dat uit.
Met de lichtblauwe bh in zijn handen, voelt hij hoe zijn armen ronder worden, molliger. Hij schuift de banden, waarin een smal glanzend lint is verwerkt over zijn armen naar zijn schouders en haakt op zijn rug de sluiting dicht. Zijn handen glijden genietend van zijn rug langs zijn flanken. Dan pakt hij twee gladde ronde vormen, die zich voegen naar de palm van zijn hand. Hij legt ze even voor zich neer, om een hele dunne vleeskleurige stof zorgvuldig over beide halve bollen te spannen. Dan pakt hij ze voorzichtig één voor één op en stopt ze in de cup van de bh. Hij is zo geconcentreerd dat hij bijna vergeet adem te halen. Zweetdruppeltjes kriebelen op zijn bovenlip. Hij voelt het niet. Als alles goed zit, dan strijkt hij heel voorzichtig de randen van de stof op zijn huid. Er mag geen plooitje zichtbaar zijn.
    Het kant van de bh ligt over de inleg. Hij heeft borsten en met een zucht van ingehouden adem glijden zijn handen over de bh, genietend van de zachtheid daar in. Hij aait de welving die boven de cups zichtbaar is en taxeert het gewicht in beide handen. Nog kijkt hij naar de buitenkant, naar Roelandt.
    Bij de blauwe bh met het lichtgroen kant, hoort een lichtgroen hemdje met spaghettibandjes en  blauwe kant.
    Het hemdje past precies en valt tot op zijn heupen. Zacht voelt de stof onder zijn vingers. Het satijn glanst waar een zonnestraal het aanraakt en de zoete kleurtjes liggen dicht op zijn huid. Het is stil en warm in de kamer waar het geruis van het stadsverkeer niet doordringt.
    Hij kan zijn ogen niet van zijn spiegelbeeld afhouden, bekijkt zich van opzij en constateert dat door de vleeskleurige stof  het verschil tussen echt en onecht niet zichtbaar is. 
    Zijn moeder kijkt naar hem vanuit de spiegel. Zijn blonde haren, haar gezicht. Hij pakt haar lippenstift en perst voorzichtig zijn lippen op elkaar. Even afkussen en dan, haar mond!
    Gevangen in het zonlicht staart hij in de spiegel. Langzaam komt zijn moeder tot leven. Hij huivert, zijn ogen laten het beeld in de spiegel niet los.
    Bijna is het zo ver, hij weet wat hij verlangt.
    Hij tast naar het slipje dat nog op de plank ligt en laat ook dat genietend door zijn handen glijden.
   Hij drukt zijn gezicht in de zachte stof, met gesloten ogen geeft hij zich over, zijn bovenlijf heen en weer wiegend. Een warme gloed van verlangen verspreidt zich door zijn lichaam. Wordt de keuken kleiner, verandert het licht? Hij hoort een geruis en een trage hartenklop.
    Nog even, dan is hij weer één met haar..

©Athy van Meerkerk 2009


N.B. Voor alle verhalen op deze webstek geldt dat iedere gelijkenis met bestaande personen en situaties alleen op toeval kan berusten.  




Naar Verhalen (Dick van Zijderveld)

Naar Schrijverskring Gyrinus natator


Naar de webstek van Dick van Zijderveld.


––––––––––––––––––––––––––––


© Athy van Meerkerk 2009